Uitspraak
8 februari 1991.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een verhuurder verplicht is om een derde in de plaats van zijn huurder te accepteren. Verweerder had de huurovereenkomst met betrokkene 1 ontbonden en geëist dat betrokkene 1 en eiser het gehuurde zouden ontruimen. De kantonrechter en rechtbank wezen de vorderingen van verweerder toe.
Eiser stelde cassatie in tegen het vonnis van de rechtbank. Het middel klaagde onder meer dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat een verhuurder buiten de wettelijke uitzonderingen zoals erfopvolging en rechterlijke plaatsing niet hoeft te accepteren dat een derde de plaats van de huurder inneemt.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten berusten op een verkeerde lezing van het vonnis en dat het oordeel van de rechtbank juist is. De rechtbank had alleen het oog op het geval waarin de huurder zijn huur aan een ander heeft afgestaan. Verder oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank terecht geen rekening hield met de belangen van eiser, omdat deze geen huurder was en geen toestemming had gekregen van verweerder.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat een verhuurder geen derde als huurder hoeft te accepteren buiten wettelijke uitzonderingen.