Uitspraak
november 1991.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de vrouw de rechtbank om de alimentatiebijdrage van de man te verhogen. De rechtbank wees dit verzoek af, maar het Gerechtshof Arnhem vernietigde deze beschikking en stelde de alimentatiebedragen vast op een lager niveau dan door de vrouw gevraagd.
De man stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De kernvraag was of de alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak als 'recht' in de zin van art. 99 Wet Pro RO kunnen worden beschouwd.
De Hoge Raad overwoog dat beleidsregels die door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid zijn vastgesteld en bekendgemaakt als recht kunnen gelden, maar dat de alimentatienormen van een privaatrechtelijke vereniging niet onder deze categorie vallen. Daarom kunnen deze normen niet als recht in de zin van art. 99 Wet Pro RO worden aangemerkt.
Subsidiair stelde de Hoge Raad dat het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd bij een vermeende afwijking in de toepassing van de alimentatienormen faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en draagt iedere partij haar eigen kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de alimentatienormen niet als recht in de zin van art. 99 Wet RO gelden.