Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 november 1991.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde een notaris in kort geding dat de Staat werd verboden een huiszoeking bij hem te verrichten en zijn kantoor te betreden zonder zijn toestemming, vanwege zijn beroepsgeheim. De rechtbank wees deze vordering af, het hof oordeelde dat de huiszoeking niet was toegestaan, maar bekrachtigde het vonnis omdat de notaris geen belang meer had bij de voorziening.
De Hoge Raad overwoog dat huiszoeking ter inbeslagneming bij personen met verschoningsrecht, zoals notarissen, ook zonder toestemming mag plaatsvinden wanneer het gaat om brieven of geschriften die het voorwerp zijn van het strafbare feit of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dit geldt omdat dergelijke documenten geen object zijn van het verschoningsrecht.
Echter, het oordeel of documenten onder het verschoningsrecht vallen, behoort in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde. Indien deze stelt dat het niet om strafbare feiten gaat en kennisneming het beroepsgeheim zou schenden, moet dit standpunt worden gerespecteerd tenzij er geen redelijke twijfel over bestaat dat dit onjuist is.
Het hof had geoordeeld dat er geen reden was om het standpunt van de notaris te betwijfelen, waardoor de huiszoeking niet was toegestaan. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staat. De Staat werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de huiszoeking bij de notaris niet was toegestaan vanwege het beroepsgeheim.