ECLI:NL:HR:1991:ZC4655

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 augustus 1991
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
26928
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Jansen
  • Van der Linde
  • Korthals Altes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt fiscale eenheid tussen groothandel en kleinhandel voor omzetbelasting

Belanghebbende, bestaande uit twee vennootschappen waarbij een groothandel vrijwel alle producten levert aan een juridisch zelfstandige kleinhandel waarvan zij alle aandelen bezit, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag gehandhaafd.

Het Hof oordeelde dat de vennootschappen een economische eenheid vormden zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968, vanwege het feit dat hun activiteiten gericht waren op hetzelfde economisch doel. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof. De naheffingsaanslag werd als terecht beoordeeld omdat de fiscale eenheid tussen de vennootschappen was vastgesteld, waardoor de omzetbelasting over het gehele concern kon worden geheven.

Deze uitspraak bevestigt de toepassing van het fiscale eenheidsbegrip in de omzetbelasting en benadrukt dat economische samenhang tussen vennootschappen bepalend is voor het vormen van een fiscale eenheid.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het bestaan van een fiscale eenheid en handhaaft de naheffingsaanslag omzetbelasting.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 26.928
21 augustus 1991
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid
B.V. [X 1]en
[X 2] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 20 juli 1989 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.
Aan belanghebbende is over het tijdvak oktober 1985 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 39.230, -- , zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie.
3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat [X 2] B.V. - die zich bezighoudt met de handel in en reparatie van electrische apparaten - vrijwel 100 percent van de voor haar omzet benodigde producten betrok van B.V. [X 1] een groothandel in televisie-antennes en andere electrische apparatuur, tevens exploitant van een detailhandel in door haar groothandel geleverde goederen - en dat 10 percent van de omzet van laatstbedoelde vennootschap bestond uit de verkoop van goederen aan eerstbedoelde vennootschap.
3.2. Anders dan het middel betoogt, heeft het Hof op grond van evenvermelde omstandigheden - die immers inhouden dat de activiteiten van de vennootschappen strekten ter verwezenlijking van eenzelfde economisch doel - terecht geoordeeld dat tussen de vennootschappen een economische eenheid bestond, als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
3.3. Het middel wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Korthals Altes, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van
21 augustus 1991.