Uitspraak
B.V. [X 1]en
[X 2] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 20 juli 1989 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
21 augustus 1991.
Hoge Raad
Belanghebbende, bestaande uit twee vennootschappen waarbij een groothandel vrijwel alle producten levert aan een juridisch zelfstandige kleinhandel waarvan zij alle aandelen bezit, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag gehandhaafd.
Het Hof oordeelde dat de vennootschappen een economische eenheid vormden zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968, vanwege het feit dat hun activiteiten gericht waren op hetzelfde economisch doel. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof. De naheffingsaanslag werd als terecht beoordeeld omdat de fiscale eenheid tussen de vennootschappen was vastgesteld, waardoor de omzetbelasting over het gehele concern kon worden geheven.
Deze uitspraak bevestigt de toepassing van het fiscale eenheidsbegrip in de omzetbelasting en benadrukt dat economische samenhang tussen vennootschappen bepalend is voor het vormen van een fiscale eenheid.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het bestaan van een fiscale eenheid en handhaaft de naheffingsaanslag omzetbelasting.