Uitspraak
[X]aan boord van
het motorschip [A]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 7 februari 1990 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de premieheffing-volksverzekeringen.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een navorderingsaanslag in de premieheffing volksverzekeringen over het jaar 1983. Aan belanghebbende was aanvankelijk een aanslag opgelegd op een premie-inkomen van ƒ 33.545, welke door de Inspecteur ambtshalve werd verminderd tot ƒ 14.521 vanwege terugwenteling van verlies over 1984. Vervolgens legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op ter hoogte van ƒ 6.226, zonder verhoging.
Belanghebbende was in beroep gegaan tegen deze navorderingsaanslag bij het Hof te 's-Gravenhage, dat de navorderingsaanslag handhaafde. Het hof oordeelde dat de tweede beschikking aan de gemachtigde was toegezonden en dat deze niet de indruk wekte te berusten op een onjuiste nadere vaststelling van de aanslag. Aangezien belanghebbende zijn belastingzaken kennelijk door de gemachtigde liet behandelen, werd kennis en inzicht van de gemachtigde aan hem toegerekend.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde het oordeel van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president Jansen en raadsheren Van der Linde, Baardman, Bellaart en Korthals Altes in raadkamer op 18 september 1991.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel dat kennis en inzicht van de gemachtigde aan de belastingplichtige worden toegerekend.