Uitspraak
[woonplaats] .
2 april 1991.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de rechter op verzoek van een belanghebbende teruggave van een inbeslaggenomen auto aan een andere belanghebbende kan gelasten. De kantonrechter had het beklag van klager gegrond verklaard en de teruggave aan een derde belanghebbende bevolen, met de voorwaarde dat deze binnen een maand de auto zou ophalen.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet geen mogelijkheid biedt om op verzoek van de ene belanghebbende teruggave aan een andere belanghebbende te gelasten. Bovendien is het praktisch onmogelijk voor de bewaarder om aan een dergelijke voorwaardelijke last te voldoen. De kantonrechter had klager niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verklaarde klager niet-ontvankelijk. Hiermee werd bevestigd dat de teruggaveprocedure strikt aan de wettelijke bepalingen moet voldoen en niet kan worden uitgebreid met voorwaarden of derdenbetrokkenheid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tot teruggave aan een derde belanghebbende.