Uitspraak
[woonplaats].
1.De bestreden uitspraak
2.Het cassatieberoep
3.De conclusie van het Openbaar Ministerie
4.Beoordeling van het middel
6.Beslissing
19 mei 1992.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter wegens te late indiening van het hoger beroep. Hoewel de brief waarin het hoger beroep werd aangekondigd binnen de beroepstermijn was verzonden, werd deze pas na het verstrijken van de termijn ontvangen door het parket van de Officier van Justitie en de griffie van de rechtbank.
De verdachte voerde aan dat de vertraging in de postbezorging niet aan hem toe te rekenen was en dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de brief binnen de normale termijn zou aankomen. Het Hof stelde echter vast dat de brief pas na het verstrijken van de beroepstermijn was ontvangen en oordeelde dat een dergelijke vertraging, behoudens bijzondere omstandigheden die niet uit de stukken blijken, niet als niet aan de verdachte toe te rekenen kan worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Raad benadrukte dat het Hof zijn feitelijke vaststelling omtrent de ontvangsttijd van de brief niet onjuist had toegepast en dat de verdachte de gevolgen van de vertraging in de postbezorging moet dragen. Het beroep werd derhalve verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens te late indiening ondanks vertraging in postbezorging.