ECLI:NL:HR:1992:AA1835
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Mijnssen
- raadsheer Urlings
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1987
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 26.964,--. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde.
Tegen dit arrest stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde enkele klachten aan. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de aftrekbare uitgaven voor levensonderhoud van verwanten hoger waren dan ƒ 2.600,--. Deze waardering van bewijsmiddelen behoefde geen nadere motivering en kon in cassatie niet worden bestreden.
Daarom faalden de klachten en werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof en de Inspecteur omtrent de aanslag inkomstenbelasting 1987.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.