Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 dec. 1991 in de strafzaak tegen [verdachte], te Huizen.
Hof:
Telastelegging, bewezenverklaring
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 7 okt. 1988 te Huizen ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om door geweld en/of bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer], te dwingen met hem, verdachte, buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, opzettelijk gewelddadig en/of dreigend die [slachtoffer] aan de armen en/of benen en/of nek met een touw heeft vastgebonden en/of haar op een matras heeft gesleurd en/of haar broek naar beneden heeft getrokken en/of heeft getracht zijn geslachtsdeel in haar vagina te duwen zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] kans heeft gezien hem te trappen en/of los te komen en/of tegen hem heeft gezegd: "Wat voor zin heeft het om mij te verkrachten?" in elk geval alleen tengevolge van enige van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid;
Althans
hij op of omstreeks 7 okt. 1988 te Huizen door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij toen en daar die [slachtoffer] aan de armen en/of benen en/of nek met een touw vastgebonden en/of haar op een matras gesleurd en/of haar broek naar beneden getrokken en/of haar geslachtsdeel betast en/of haar borsten betast.
Daarvan is bewezen verklaard, dat hij op 7 okt. 1988 te Huizen ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om door geweld een vrouw, te weten [slachtoffer], te dwingen met hem, verdachte, buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer] aan de armen en benen en nek met een touw heeft vastgebonden en haar op een matras heeft gesleurd en haar broek naar beneden heeft getrokken en heeft getracht zijn geslachtsdeel in haar vagina te duwen, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] kans heeft gezien hem te trappen en tegen hem heeft gezegd: "Wat voor zin heeft het om mij te verkrachten?".
Uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 april 1990 - de verdachte terzake van "poging tot verkrachting" veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
Hoge Raad:
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.1. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdere uitvoering van het voorgenomen misdrijf, zoals bewezen verklaard, niet is voltooid ten gevolge van een van de verdachtes wil onafhankelijke omstandigheid, aangezien deze te dien aanzien slechts inhouden dat de verdachte zijn pogingen heeft gestaakt toen het slachtoffer - dat zich tevoren had verzet door de verdachte in achterwaartse richting een schop te geven - op de opmerking van de verdachte dat verzet geen zin had, heeft geantwoord: "Wat voor zin heeft het om mij te verkrachten?".
5.2. De bewezenverklaring is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
6. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
7. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.