ECLI:NL:HR:1992:BA5424
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest poging tot verkrachting wegens onvoldoende motivering
De zaak betreft een verdachte die op 7 oktober 1988 te Huizen werd beschuldigd van poging tot verkrachting. Het hof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, omdat hij een vrouw met geweld had vastgebonden en getracht had geslachtsgemeenschap te hebben. De verdachte staakte zijn poging nadat het slachtoffer zich had verzet met een trap en had gezegd: "Wat voor zin heeft het om mij te verkrachten?".
De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het misdrijf niet is voltooid door een omstandigheid die onafhankelijk is van de wil van de verdachte. De bewezenverklaring is daarom onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft onderzocht of sprake is van vrijwillige terugtred of dat de verdachte zelf de voltooiing heeft verhinderd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling. De conclusie van de A-G benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij poging en vrijwillige terugtred, waarbij het hof ambtshalve onderzoek had moeten doen naar aanwijzingen daarvoor.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.