Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 16 mei 1991 betreffende de hem voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteerde samen met een medevennoot een horecabedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma. In 1984 werden investeringen gedaan in bedrijfsmiddelen, maar belanghebbende diende geen overzicht investeringsbijdragen in bij zijn aangifte. De medevennoot voegde wel een bijlage toe met investeringsgegevens. In 1985 werd de vennootschap ontbonden en vond vervreemding van bedrijfsmiddelen plaats.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende desinvesteringsbetalingen verschuldigd was over deze vervreemding. Het hof oordeelde dat de handelwijze van belanghebbende als aanwijzing van bedrijfsmiddelen kon worden opgevat, maar maakte een uitzondering voor vennootschappen onder firma, wat de Hoge Raad onjuist achtte.
De Hoge Raad stelde dat iedere vennoot een eigen onderneming drijft en zelfstandig kan bepalen welke bedrijfsmiddelen worden aangewezen. De investeringsbijdrage was ten onrechte verleend voor goederen die niet tot de bedrijfsmiddelen in de zin van de wet behoren, waardoor de vervreemding niet tot desinvesteringsbetalingen kan leiden. De Hoge Raad vernietigde het arrest en bepaalde dat de aanslag tot nihil wordt verminderd, met vergoeding van gemaakte proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de aanslag inkomstenbelasting tot nihil wegens onterechte investeringsbijdrage.