Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 26 juni 1991 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag tot navordering in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de inspecteur in een belastingnavorderingsprocedure gebruik mag maken van gegevens en inlichtingen die buiten de rechter om zijn verkregen, met name uit een strafrechtelijk opsporingsonderzoek tegen de belastingplichtige. Belanghebbende was tegen een navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag had verminderd maar de verhoging van 100% had bevestigd. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad overwoog dat het algemene procesrechtelijke beginsel van gelijkheid der partijen en de taak van de rechter als waarheidsvinder niet in de weg staat aan het gebruik door de inspecteur van gegevens die buiten de rechter om zijn verkregen, ook indien deze afkomstig zijn van opsporingsinstanties in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Dit geldt ook als het initiatief voor het strafrechtelijk onderzoek door de inspecteur zelf is genomen. Wel geldt een beperking dat gegevens die zijn verkregen door misbruik van bevoegdheden in een niet-strafrechtelijk onderzoek niet mogen worden gebruikt.
Verder verwierp de Hoge Raad de klacht over de waardering van getuigenverklaringen door het Hof, waarbij het oordeel over het ontbreken van een informatieovereenkomst tussen de getuige en de inspecteur als feitelijk en niet onbegrijpelijk werd aangemerkt. De overige klachten werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, waarmee het beroep in cassatie werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en de uitspraak van het Hof bevestigd.