3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
Comtu heeft in 1979 aan [eiser] een tomatentransportsysteem geleverd en vervolgens geïnstalleerd. In 1981 en 1982 heeft [eiser] voorts enige goederen van Comtu betrokken. Nadat onvolkomenheden in het tomatentransportsysteem waren geconstateerd, heeft een derde enige werkzaamheden aan het systeem verricht om het te verbeteren. Comtu heeft van het daarvoor aan die derde verschuldigde een gedeelte voor haar rekening genomen.
Uit hoofde van deze leveranties en diensten had Comtu van [eiser] in hoofdsom ƒ 57.298,22 te vorderen.
Als eiseres in conventie heeft Comtu in dit geding aanvankelijk betaling van evengenoemd bedrag (vermeerderd met incassokosten en rente) gevorderd. [eiser] heeft daartegenover in reconventie betaling gevorderd van een bedrag van ƒ 217.690,-- zijnde de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van ondeugdelijkheid van het transportsysteem en van andere prestaties van Comtu. De voornaamste schadepost betreft verminderde veilingopbrengsten. Deze vordering wordt door Comtu betwist, onder meer met een beroep op haar algemene leveringsvoorwaarden.
Op 15 maart 1985, tijdens het geding in eerste aanleg, is aan [eiser] voorlopige surseance van betaling verleend. [eiser] heeft op 4 juni 1985 een akkoord aangeboden, dat onder meer voldoening aan 2,5% van de concurrente vorderingen inhield. Na stemming over dit akkoord, waarbij Comtu tegenstemde, is het op 15 september 1985 als dwangakkoord gehomologeerd; de homologatie is onherroepelijk geworden.
[eiser] heeft ter uitvoering van het akkoord ƒ 1.432,46 (2,5% van ƒ 57.298,22) aan Comtu betaald.
Vervolgens heeft Comtu haar vordering in conventie verminderd met het van [eiser] ontvangen bedrag en gewijzigd in een voorwaardelijke vordering, die nog slechts geldend werd gemaakt voor het geval dat de vordering in reconventie geheel of gedeeltelijk zou worden toegewezen. In reconventie heeft Comtu voorts een beroep op compensatie gedaan.
In cassatie gaat het uitsluitend om de vraag of de vordering in reconventie slechts kan worden toegewezen voor zover zij de voorwaardelijke vordering in conventie ad ƒ 55.865,76 overtreft. De Rechtbank en het Hof hebben die vraag bevestigend beantwoord.