Uitspraak
28 februari 1992.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een belastingambtenaar en de Staat over het niet uitbetalen van bezoldiging en het ontslag van de ambtenaar. Na vernietiging van besluiten door het Ambtenarengerecht en intrekking van het ontslagbesluit door de Staatssecretaris, vordert de ambtenaar schadevergoeding bij de burgerlijke rechter.
De Rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarop cassatie werd ingesteld. De Hoge Raad overweegt dat de Ambtenarenwet niet uitsluit dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming verleent naast de ambtenarenrechter. Dit betekent dat de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen uit onrechtmatige daad, ook indien de ambtenarenrechter bevoegd is.
De Hoge Raad stelt dat de Rechtbank ten onrechte zich onbevoegd heeft verklaard en dat het stelsel van aanvullende rechtsbescherming passend is in een rechtsstaat. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep vanwege gebrek aan belang, maar bevestigt de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in dergelijke zaken.
De uitspraak benadrukt dat de ambtenarenrechter en burgerlijke rechter complementair zijn in het bieden van rechtsbescherming aan ambtenaren, en dat dit geen strijd oplevert met de Ambtenarenwet. De Staat wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming kan bieden naast de ambtenarenrechter, maar wijst het cassatieberoep af wegens gebrek aan belang.