Uitspraak
aRO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
18 september 1992.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure staat centraal de vraag of de korte verjaringstermijn van vijf jaar uit art. 1490 oud Pro BW ook geldt voor een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 1489 oud Pro BW, en of het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen bij een vordering die voortvloeit uit dezelfde rechtsbetrekking maar een andere grondslag heeft.
De zaak betreft een geschil tussen eiser en verweerder waarbij verweerder een vordering instelde tot betaling van een geldsom. De rechtbank wees de vordering af, waarna hoger beroep en cassatie volgden. Het hof oordeelde dat de korte verjaringstermijn niet van toepassing is op de schadevergoeding en dat de vordering niet was verjaard. Tevens stelde het hof dat het gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak geldt omdat dezelfde rechtsbetrekking in geschil is.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de korte verjaringstermijn uit art. 1490 oud Pro BW niet geldt voor de schadevergoeding uit art. 1489 oud Pro BW. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen indien dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is, ongeacht dat de vorderingen verschillen. De klachten van eiser worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.