ECLI:NL:HR:1992:ZC0683

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 1992
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
14514
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Snijders
  • Roelvink
  • Davids
  • Neleman
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1489 BWArt. 1490 BWArt. 101 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezag van gewijsde en verjaring bij schadevergoeding na nietigverklaring

In deze cassatieprocedure staat centraal de vraag of de korte verjaringstermijn van vijf jaar uit art. 1490 oud Pro BW ook geldt voor een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 1489 oud Pro BW, en of het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen bij een vordering die voortvloeit uit dezelfde rechtsbetrekking maar een andere grondslag heeft.

De zaak betreft een geschil tussen eiser en verweerder waarbij verweerder een vordering instelde tot betaling van een geldsom. De rechtbank wees de vordering af, waarna hoger beroep en cassatie volgden. Het hof oordeelde dat de korte verjaringstermijn niet van toepassing is op de schadevergoeding en dat de vordering niet was verjaard. Tevens stelde het hof dat het gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak geldt omdat dezelfde rechtsbetrekking in geschil is.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de korte verjaringstermijn uit art. 1490 oud Pro BW niet geldt voor de schadevergoeding uit art. 1489 oud Pro BW. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen indien dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is, ongeacht dat de vorderingen verschillen. De klachten van eiser worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

18 september 1992
Eerste Kamer
Nr. 14.514
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. H.J. van Gijssel,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploit van 29 mei 1985 eiser tot cassatie te zamen met [betrokkene 1] — verder te noemen [eiser] en [betrokkene 1] — gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd hen te veroordelen om aan [verweerder] te betalen de somma van ƒ 210.493,48 met de wettelijke rente, met dien verstande dat betaling door de één tevens in mindering zal strekken op het totaal door de ander te betalen bedrag.
Nadat [eiser] en [betrokkene 1] tegen de vordering verweer hadden gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 9 maart 1988 de vordering jegens [betrokkene 1] afgewezen en onder aanhouding van iedere verdere beslissing een inlichtingencomparitie gelast.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 22 februari 1990 heeft het Hof met vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis alsnog de vordering van [verweerder] afgewezen voor zover die is gegrond op onrechtmatig handelen van [eiser] in de onder 4.12 van het arrest bedoelde kort geding-procedures en heeft het Hof het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
[eiser] heeft zijn zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De onderdelen B1 tot en met B4 bestrijden het oordeel van het Hof in rov. 4.6, dat voor de vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 1489 (oud) BW niet de — korte — verjaringstermijn geldt, genoemd in art. 1490 (oud) BW voor een rechtsvordering tot nietigverklaring.
Art. 1490 bevat Pro een verkorte verjaringstermijn van vijf jaren voor het instellen van een rechtsvordering tot ‘’nietigverklaring eener verbintenis’’. De strekking hiervan is de tijd waarin een rechtshandeling door een actie tot vernietiging kan worden aangetast, in het belang van partijen en derden te beperken, teneinde te voorkomen dat het geldig voortbestaan van de rechtshandeling gedurende lange tijd onzeker blijft.
Uit tekst noch strekking van art. 1490 volgt Pro dat deze verkorte verjaringstermijn ook zou gelden voor de rechtsvordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 1489, welke vordering niet alleen te zamen met die tot vernietiging, maar ook afzonderlijk, en zelfs zonder dat de eiser vernietiging vordert, kan worden ingesteld (vgl. HR 16 december 1932, NJ 1933, 458).
's Hofs oordeel is dus juist. De onderdelen falen.
3.2 De onderdelen B5 tot en met B8 keren zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof (rov. 4.6) dat de door [eiser] gestelde feiten onvoldoende zijn om rechtsverwerking door [verweerder] aan te nemen. Voor zover de onderdelen niet falen wegens gebrek aan feitelijke grondslag kunnen zij niet tot cassatie leiden, daar 's Hofs oordeel in het licht van de gedingstukken naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is.
3.3 Onderdeel C is gericht tegen rov. 4.8, waarin het Hof de tweede appelgrief van [eiser] heeft behandeld en verworpen.
Het Hof heeft daarin — kort weergegeven — geoordeeld dat [verweerder] in hoger beroep uitdrukkelijk een beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis van 8 juli 1981 heeft gedaan, dat de (huidige) vordering tot schadevergoeding een vervolg is op de vordering tot nietigverklaring, dat in beide procedures tussen partijen dezelfde rechtsbetrekking in geschil is, ‘’te weten of [eiser] door middel van kunstgrepen bedrog heeft gepleegd’’, dat de Rechtbank daarover in het vonnis van 8 juli 1981 heeft beslist en dat die beslissing in dit geding bindende kracht heeft.
Anders dan onderdeel C2 aanvoert, is hetgeen het Hof in rov. 4.8 heeft overwogen geenszins in strijd met 's Hofs beslissing onder 4.6 omtrent de verjaringstermijn van art. 1490, daar de vaststelling dat de vordering tot schadevergoeding een vervolg is op de vordering tot nietigverklaring, niet meebrengt dat voor beide vorderingen dezelfde verjaringstermijn heeft te gelden. Het onderdeel faalt derhalve.
Onderdeel C5 gaat klaarblijkelijk ervan uit dat slechts een beroep op het gezag van gewijsde kan worden gedaan indien in de procedure welke is geëindigd met de uitspraak waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen, hetzelfde is gevorderd als in de volgende procedure tussen partijen. Dit uitgangspunt is onjuist: voldoende is dat tussen partijen dezelfde rechtsbetrekking in geschil is, ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt. Ook dit onderdeel faalt derhalve.
3.4 Onderdeel A bevat geen klacht. De in het voorgaande niet behandelde klachten van onderdeel C en de in de onderdelen D, E, F en G aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101
aRO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Davids, Neleman en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op
18 september 1992.