Uitspraak
Burgemeester en Wethouders(hierna: B. en W.) van de gemeente
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 19 april 1989 betreffende na te melden aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, eigenaar en bewoner van een moderne eengezinstussenwoning, kreeg voor 1986 aanslagen onroerende-zaakbelasting opgelegd op basis van een taxatiewaarde van 131.000 gulden. Het hof had de aanslagen verminderd tot een heffingsgrondslag van 95.000 gulden, omdat bij een aantal vergelijkbare woningen een taxatiefout was gemaakt die leidde tot een lagere heffingsgrondslag.
Het hof oordeelde dat belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kon maken op dezelfde gunstige behandeling als de andere vergelijkbare woningen, omdat de fout niet incidenteel was maar bij een meerderheid van de woningen voorkwam. De Hoge Raad bevestigde dat het gelijkheidsbeginsel ook toepassing kan vinden bij niet-incidentele fouten, mits sprake is van een meerderheid van vergelijkbare gevallen.
Echter stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had onderzocht of de woningen daadwerkelijk onderling vergelijkbaar waren op de kenmerken die relevant zijn voor de taxatiefout. Hierdoor kon het oordeel van het hof niet in stand blijven. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het hof te Amsterdam voor nader onderzoek naar het gevoerde beleid en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad benadrukte dat indien de gunstige behandeling van andere woningen het gevolg is van een specifieke ligging aan een singel die niet op de woning van belanghebbende van toepassing is, het gelijkheidsbeginsel niet kan worden toegepast. Dit arrest verduidelijkt de voorwaarden waaronder het gelijkheidsbeginsel kan worden ingeroepen bij belastingaanslagen gebaseerd op taxatiefouten.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de toepassing van het gelijkheidsbeginsel.