De zaak betreft een geschil over de heffingsgrondslag van onroerendezaakbelasting voor het jaar 1987, opgelegd aan een besloten vennootschap die eigenaar was van industriële gebouwen en installaties. De gemeente had aanslagen opgelegd gebaseerd op een hoge vervangingswaarde, terwijl het hof deze aanslagen had verminderd tot een lagere waarde, gelijkgesteld aan de bedrijfswaarde na afwaardering van duurzame activa.
De Hoge Raad bevestigt dat de gecorrigeerde vervangingswaarde, zoals omschreven in de gemeentewet en de gemeentelijke verordening, ook subjectieve elementen mag bevatten, zoals de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar heeft. Dit betekent dat afwaardering tot de bedrijfswaarde, die rekening houdt met economische omstandigheden en verliezen, toelaatbaar is.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de omzetbelasting niet apart bij de waardering moet worden opgeteld, omdat deze reeds in de gecorrigeerde vervangingswaarde is verdisconteerd. De klachten van de gemeente dat het hof ten onrechte de waarde in het economische verkeer heeft vastgesteld, worden verworpen. Het beroep in cassatie wordt afgewezen.