ECLI:NL:HR:1992:ZC5033

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 1992
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
27963
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Mijnssen
  • raadsheer Wildeboer
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake naheffingsaanslag loonbelasting en verwijzing voor nadere behandeling

Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de periode 1982-1986. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar niet volledig kwijtgescholden. Het hof vernietigde het besluit van de inspecteur en verminderde de aanslag verder.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen loonbelasting meer geheven kan worden indien de aanvullende loonbetalingen reeds in de inkomstenbelasting zijn betrokken. Het hof heeft onvoldoende vastgesteld op welke tijdstippen de inkomstenbelasting is geheven en heeft arresten uit 1954 en 1962 te ruim toegepast.

De Hoge Raad stelt dat een naheffingsaanslag loonbelasting in stand blijft, ook als later inkomstenbelasting wordt geheven over dezelfde loonbetalingen. Dit voorkomt uitvoeringsproblemen bij de belastingdienst. De uitspraak van het hof wordt vernietigd, behoudens het griffierecht, en de zaak wordt verwezen naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het hof met inachtneming van dit arrest.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde kamer
Nr. 27.963
8 juli 1992
EG
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 5 februari 1991 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X] B.V.te
[Z]opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1982 tot en met 31 december 1986 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 546.334,-- aan enkelvoudige belasting en f 6.423,-- aan verhoging, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd met een bedrag van f 135.919,-- aan enkelvoudige belasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten.
3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat de aanvullende loonbetalingen waarop de bestreden naheffingsaanslag in de loonbelasting betrekking heeft bij de genieters daarvan in de inkomstenbelasting zijn betrokken. Het heeft vervolgens onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 5 mei 1954, gepubliceerd in BNB 1955/144, en van 3 januari 1962, gepubliceerd in BNB 1962/61, geoordeeld dat er onder deze omstandigheden geen plaats meer is voor de heffing van loonbelasting over deze inkomsten.
3.2. Het Hof heeft niet vastgesteld op welke tijdstippen de verschillende genieters van de aanvullende loonbetalingen in de heffing van de inkomstenbelasting zijn betrokken. In cassatie moet dan veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat het Hof heeft geoordeeld dat ook voor zover die tijdstippen zijn gelegen na het tijdstip van oplegging van de bestreden naheffingsaanslag er voor heffing van loonbelasting geen plaats meer is. In dat veronderstelde geval heeft het Hof evenwel aan de in 3.1 genoemde arresten, die beide betrekking hadden op een naheffingsaanslag die aan de inhoudingsplichtige werd opgelegd, nadat oplegging van een (navorderings-)aanslag aan de belastingplichtige reeds had plaatsgevonden, een te ruime werking toegekend en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.3. Een naheffingsaanslag in de loonbelasting blijft in stand indien nadat deze is opgelegd loonbetalingen waarop hij betrekking heeft in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken. Indien er immers in dergelijke gevallen voor heffing van loonbelasting over die betalingen geen plaats meer zou zijn, zou dit de inspecteur nopen tot aanpassing van de naheffingsaanslag in de loonbelasting telkens wanneer nadien een (navorderings-)aanslag in de inkomstenbelasting wordt opgelegd. Aangezien bij de heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting verschillende eenheden van de belastingdienst betrokken kunnen zijn zou de vereiste aanpassing van de naheffingsaanslag in de loonbelasting op ernstige uitvoeringsproblemen stuiten, in het bijzonder wanneer een naheffingsaanslag betrekking heeft op loonbetalingen aan grote aantallen werknemers. Tot een andersluidend oordeel dwingen noch de tekst, noch doel en strekking van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.4. De klachten treffen doel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Beslissing.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Mijnssen, Wildeboer, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis in raadkamer van 8 juli 1992.