Uitspraak
ARREST
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 2 maart 1990 betreffende de aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende was commanditair vennoot in een besloten commanditaire vennootschap (CV) die zich bezighield met olie- en gaswinning in de Verenigde Staten. Hij had een relatief en absoluut gering kapitaalaandeel in de CV. De vraag was of hij daardoor de ondernemersstatus voor de inkomstenbelasting ontzegd kon worden.
De rechtbank had een aanslag opgelegd op het belastbaar inkomen van belanghebbende, die na bezwaar en beroep bij het Hof werd verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad stelde vast dat het formele criterium voor een open of besloten CV doorslaggevend is en dat het Hof terecht oordeelde dat de CV een besloten vennootschap was.
Het Hof had geoordeeld dat de commanditaire vennoten, waaronder belanghebbende, ondernemers waren op grond van artikel 6 lid 1 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964, ongeacht de omvang van hun participatie. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een gering aandeel niet automatisch leidt tot ontzegging van de ondernemersstatus, ook niet als de commanditair vennoot maatschappelijk gezien meer een belegger is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een commanditair vennoot met een gering aandeel ondernemersstatus heeft voor de inkomstenbelasting.