Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 24 januari 1990 betreffende na te melden aan haar over het jaar 1985 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of aan de belanghebbende rente kan worden toegerekend uit hoofde van de aflossing van spaarbiljetten waarvan zij slechts de blote eigendom heeft. De belanghebbende had van een besloten vennootschap vijftig spaarbiljetten gekocht met een tijdelijk recht van vruchtgebruik voor de verkoper. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op naar aanleiding van het belastbaar inkomen over 1985, welke door het Hof werd verminderd.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof bij zijn oordeel over de inhoud van de overeenkomst buiten de rechtsstrijd was getreden. De Hoge Raad benadrukte dat voor de beoordeling van de rechten die in de spaarbiljetten zijn belichaamd, niet de vorm van de overeenkomst tussen de partijen, maar de inhoud van de rechtsverhouding tussen de emittent (CDK-bank) en de houders van de spaarbiljetten beslissend is.
De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwd onderzoek naar de inhoud van deze rechtsverhouding. Daarbij is van belang dat CDK-bank pas spaarbiljetten uitgaf nadat de vennootschap gegadigden had gevonden en dat de rente vrijwel direct na uitgifte aan de vennootschap werd uitbetaald. Dit duidt erop dat de spaarbiljetten toonderpapieren met disagio zijn, waarbij de jaarlijkse betalingen een gecombineerde aflossing en rentevergoeding vormen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Hiermee werd het belang van een juiste fiscale kwalificatie van dergelijke financiële instrumenten bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor nader onderzoek naar de inhoud van de rechtsverhouding tussen emittent en houders van de spaarbiljetten.