Uitspraak
14 januari 1992.
Hoge Raad
De Rechtbank had in hoger beroep een vennootschap vrijgesproken van het ten laste gelegde discrimineren van personen op grond van ras bij de toegang tot een bar-discotheek. De Hoge Raad oordeelt dat deze vrijspraak onzuiver is omdat de rechtbank niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging zoals vereist in art. 430 Sv Pro. De rechtbank sprak de vennootschap vrij van een ander feit dan dat was ten laste gelegd.
De Hoge Raad stelt dat de vennootschap als rechtspersoon ook daderschap kan hebben indien zij feitelijk leiding geeft aan de verboden gedragingen, zonder dat een expliciete instructie vereist is. Het criterium van de rechtbank dat een bewuste instructie tot discriminatie noodzakelijk zou zijn, wordt verworpen. De vennootschap kan aansprakelijk zijn indien zij het onderscheid maken door de portier heeft aanvaard of gedoogd.
Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee wordt de onjuiste toepassing van het recht en de onjuiste interpretatie van de tenlastelegging gecorrigeerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onzuivere vrijspraak en onjuiste rechtsopvatting over daderschap van de vennootschap.