Uitspraak
[woonplaats].
23 juni 1992.
Hoge Raad
De zaak betreft een 44-jarige verdachte die werd veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn 14-jarige nichtje tijdens een paasvakantie waarin het meisje bij hem logeerde. Het hof had geoordeeld dat het meisje telkens aan de zorg van verdachte was toevertrouwd in de zin van art. 249 lid 1 Sr Pro.
De verdachte stelde cassatie in en betoogde dat niet in alle gevallen was bewezen dat het meisje aan zijn zorg was toevertrouwd, met name omdat de ontuchtige handelingen ook buiten de periode van logeren plaatsvonden en het meisje niet steeds bij hem verbleef. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'aan zijn zorg toevertrouwd' feitelijk moet worden ingevuld en dat het hof terecht had geoordeeld dat het meisje tijdens de paasvakantie aan de zorg van verdachte was toevertrouwd.
Echter kon uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de ontuchtige handelingen meermalen binnen die periode hadden plaatsgevonden, noch dat het meisje vaker aan zijn zorg was toevertrouwd buiten die periode. Hierdoor was de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling.
De uitspraak benadrukt het belang van een nauwkeurige bewijsvoering omtrent de feitelijke toevertrouwing van het slachtoffer aan de verdachte bij toepassing van art. 249 Sr Pro en verduidelijkt de reikwijdte van dit begrip in het strafrecht.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de minderjarige meermalen aan de zorg van verdachte was toevertrouwd, en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.