Uitspraak
16 april 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die is veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een schriftelijk bevel van de burgemeester van Amsterdam om zich gedurende veertien dagen te verwijderen uit een noodgebied in de binnenstad. De verdachte werd in eerste aanleg en hoger beroep bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de rechtmatigheid van het bevel van de burgemeester, waarbij werd betoogd dat er geen uitzonderingssituatie was als bedoeld in art. 219 (oud) Gemeentewet en dat de duur van het bevel niet in verhouding stond tot de gedragingen van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat deze verweren in feitelijke aanleg niet waren gevoerd en dat cassatie geen plaats biedt voor feitelijke beoordeling.
Verder werd de strafoplegging getoetst aan de samenloopbepalingen van art. 63 Sr Pro. De Hoge Raad concludeerde dat het hof het toegestane strafmaximum niet had overschreden, mede gelet op eerdere veroordelingen van de verdachte. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de bestreden uitspraak in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen en de gevangenisstraf van één maand blijft in stand.