Uitspraak
[vestigingsplaats].
2 februari 1993.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een verdachte vennootschap die werd vervolgd wegens overtreding van een voorschrift krachtens de Wijzigingswet Warenwet 1988, specifiek het leveren van grondnoten met een te hoog gehalte aflatoxine B1.
De Economische Politierechter verklaarde de Officier van Justitie ontvankelijk en sprak de verdachte vrij, waarbij geen straf of maatregel werd opgelegd. De verdachte stelde cassatie in tegen de beslissing, met name tegen de verwerping van haar beroep op afwezigheid van alle schuld en het ontbreken van de mogelijkheid tot contra-expertise.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door het beroep op afwezigheid van alle schuld te verwerpen. De verdachte had maximale zorgvuldigheid betracht om de overtreding te voorkomen, en het risico van een te hoog aflatoxinegehalte was een bewust genomen risico binnen een problematisch gebied. Tevens was het recht op contra-expertise niet geschonden, omdat de wetgever dit slechts beperkt regelt en de verdachte niet tijdig een verzoek tot contra-expertise had gedaan.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, waarbij het rechterlijk pardon werd toegepast vanwege de maximale zorgvuldigheid die de verdachte betrachtte.
Uitkomst: Verdachte vennootschap wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld.