Uitspraak
19 januari 1993.
Hoge Raad
Het gerechtshof heeft verdachte veroordeeld wegens heling van een kleurentelevisie die door enig misdrijf was verkregen. Het hof stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het goed gestolen was, en verkocht dit uit winstbejag. De verdediging voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte voorwaardelijk opzet toepaste, terwijl de wet dit niet toestond, en dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht voorwaardelijk opzet heeft aangenomen, omdat de wetswijziging die na het arrest in werking trad, geen wijziging van het vereiste opzet beoogde. Verder wordt geoordeeld dat de aanhouding en staandehouding rechtmatig waren, zodat het bewijs niet onrechtmatig is verkregen. Wel vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het hof heeft nagelaten de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering te brengen op de straf.
De Hoge Raad beveelt dat deze tijd alsnog volledig wordt afgetrokken van de opgelegde gevangenisstraf en verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Hiermee wordt het arrest in stand gehouden, behoudens de toepassing van de strafvermindering wegens voorarrest.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor heling met toepassing van voorwaardelijk opzet; arrest vernietigd voor het niet toepassen van aftrek van tijd in verzekering.