De Inspecteur besloot voor de vennootschapsbelasting 1981 geen rekening te houden met de leningsovereenkomsten tussen belanghebbende en haar oprichtster, omdat deze geen wezenlijke verandering in de feitelijke verhoudingen tot doel hadden en vooral dienden ter verijdeling van belastingheffing.
Belanghebbende was opgericht op 30 december 1980 en verwierf toen aandelen in drie werkmaatschappijen, waarbij een deel van de koopsom als lening bleef bestaan. Deze lening werd later omgezet in een rentedragende geldlening. Het hof oordeelde dat deze constructie geen echte financieringsfunctie had en dat de renteaftrek daardoor strijdig was met doel en strekking van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen als feitelijk en juridisch juist. De rente op de lening kon niet worden afgetrokken omdat de lening geen bijdrage leverde aan de financiering van de onderneming van de werkmaatschappijen en de constructie was bedoeld om belastingheffing te ontwijken. Het cassatieberoep werd verworpen.