Uitspraak
De President oordeelde in een uitvoerig gemotiveerd vonnis dat de eerste van deze vragen bevestigend moest worden beantwoord en, wat de tweede vraag betreft, dat geen van de opposities voldoende kansrijk was om aan een inbreukverbod in de weg te staan. Hij wees mitsdien de vordering toe.
Deze klacht faalt reeds daarom omdat zij eraan voorbijziet dat – in de woorden van HR 8 januari 1965, NJ 1965, 162 – “de aard van het kort geding meebrengt dat de rechter, indien hij van oordeel is, dat hij binnen het kader ener behandeling in kort geding zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen of de gevolgen van een door
4 juni 1993.