Uitspraak
25 juni 1993.
Hoge Raad
In deze zaak vorderden partijen wederzijds ontbinding van een huurovereenkomst van een camping en schadevergoeding wegens wanprestatie. Lindenweerd was verhuurder, Minnes c.s. huurders. De procedure startte bij de kantonrechter en liep via hoger beroep bij de rechtbank tot cassatie bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of Lindenweerd wanprestatie had gepleegd door plannen omtrent het zwembad en de camping openbaar te maken, waardoor de goodwill en het rustig genot van het gehuurde werden aangetast. Tevens speelde de vraag of Minnes c.s. voldoende hadden gedaan om de schade te beperken.
De Hoge Raad bevestigde dat de huurovereenkomst ook de goodwill omvatte en dat de verhuurder gehouden is tot het verschaffen van rustig genot, ook in niet-fysieke zin. De stellingen van Lindenweerd over rechtsverwerking en de noodzaak van ingebrekestelling werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de door Lindenweerd veroorzaakte publiciteit mede de oorzaak was van het verlies van campinggasten en dat Minnes c.s. niet tekort waren geschoten in hun plicht tot schadebeperking.
Het cassatieberoep werd verworpen en Lindenweerd werd veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van Minnes c.s. nihil werden begroot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Lindenweerd wordt verworpen en het vonnis van de lagere rechter wordt bekrachtigd.