Uitspraak
3 december 1993.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Eisers vorderden in kort geding dat verweerders werden bevolen drie prioriteitsaandelen in een vennootschap, die toebehoorden aan de nalatenschap van een overledene, over te dragen aan eiseres. Zij stelden dat de vennootschap het aanbod tot overname van deze aandelen had aanvaard tegen een statutaire maximumprijs.
Verweerders voerden aan dat het aanbod betrekking had op het gehele aandelenbelang, inclusief de gewone aandelen, en dat over de prijs daarvan geen overeenstemming bestond. Zowel de President van de Rechtbank als het Gerechtshof wezen de vordering af, stellende dat de prioriteitsaandelen en gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel waren aangeboden.
De Hoge Raad bevestigde dat geen wettelijke of statutaire bepaling verbiedt dat prioriteitsaandelen en gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel worden aangeboden. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof, dat partijen redelijkerwijs zo mochten aannemen, niet onbegrijpelijk is en niet in cassatie kan worden onderzocht. Het beroep werd verworpen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot overdracht van alleen de prioriteitsaandelen wordt afgewezen.