Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1993:ZC1164

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 1993
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
15127
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Roelvink
  • Neleman
  • Nieuwenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1167 BWArt. 8 lid 1 statuten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Blokkeringsregeling en onverbrekelijke aanbieding van prioriteitsaandelen en gewone aandelen

Eisers vorderden in kort geding dat verweerders werden bevolen drie prioriteitsaandelen in een vennootschap, die toebehoorden aan de nalatenschap van een overledene, over te dragen aan eiseres. Zij stelden dat de vennootschap het aanbod tot overname van deze aandelen had aanvaard tegen een statutaire maximumprijs.

Verweerders voerden aan dat het aanbod betrekking had op het gehele aandelenbelang, inclusief de gewone aandelen, en dat over de prijs daarvan geen overeenstemming bestond. Zowel de President van de Rechtbank als het Gerechtshof wezen de vordering af, stellende dat de prioriteitsaandelen en gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel waren aangeboden.

De Hoge Raad bevestigde dat geen wettelijke of statutaire bepaling verbiedt dat prioriteitsaandelen en gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel worden aangeboden. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof, dat partijen redelijkerwijs zo mochten aannemen, niet onbegrijpelijk is en niet in cassatie kan worden onderzocht. Het beroep werd verworpen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot overdracht van alleen de prioriteitsaandelen wordt afgewezen.

Uitspraak

3 december 1993
Eerste Kamer
Nr. 15.127
AS
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: Mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] , ten tijde van zijn overlijden wonende te [woonplaats] ,
3. N.M.B. Postbank Groep N.V.,
gevestigd te Amsterdam Zuid-Oost,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: Mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie – verder te noemen: [eisers] – hebben bij exploit van 6 februari 1990 verweerders in cassatie – verder te noemen: [verweerders] – in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Assen en gevorderd [verweerders] te gebieden de drie prioriteitsaandelen in [eiseres 2] B.V. op naam van [erflater] ten tijde van diens overlijden op 11 september 1987 in eigendom over te dragen aan [eisers] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 500.000,-- per dag, althans zodanige voorziening te treffen met gelijksoortige strekking als de President in goede justitie moge behagen.
Nadat [verweerders] tegen de vordering verweer hadden gevoerd, heeft de President bij vonnis van 5 maart 1990 de verzochte voorzieningen geweigerd.
Tegen dit vonnis hebben [eisers] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 6 mei 1992 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [eisers] hebben in het onderhavige kort geding gevorderd, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, dat [verweerders] wordt bevolen drie prioriteitsaandelen in [eiseres 2] B.V. – verder te noemen: de vennootschap – die op naam stonden van [erflater] en die na diens overlijden op 11 september 1987 ingevolge een testamentaire boedelverdeling als bedoeld in art. 4:1167 BW Pro toebehoren aan [verweerster 1], over te dragen aan de vennootschap.
Aan deze vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat de vennootschap bij brief van 20 november 1989 het aanbod tot overname van die aandelen had aanvaard, en dat zij bereid was de in de statuten bepaalde maximumprijs van f 3.000,-- in totaal daarvoor te betalen. [verweerders] hebben daartegen aangevoerd dat het aanbod aan [eisers] – dat was vervat in een brief van 8 augustus 1989 van de NMB, die namens [verweerster 1] optrad – betrekking had op het gehele belang dat [erflater] in de vennootschap had en dus niet alleen de prioriteitsaandelen omvatte, maar ook, onverbrekelijk daarmee verbonden, de gewone aandelen, en dat met betrekking tot de overnameprijs van deze aandelen geen overeenstemming was bereikt.
Het gaat in cassatie om de, door de President en het Hof bevestigend beantwoorde, vragen of [verweerster 1] de prioriteitsaandelen en de gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel heeft aangeboden, en of zij daartoe ook gerechtigd was.
3.2 Het eerste en het tweede onderdeel van het middel richten zich tegen rov. 22 van het bestreden arrest, waarin het Hof heeft overwogen dat geen wettelijk voorschrift of statutaire bepaling steun geeft aan de stelling dat [verweerster 1] niet gerechtigd zou zijn haar aandelen als één onverbrekelijk geheel aan te bieden.
Voor zover deze onderdelen strekken ten betoge dat die stelling wel steun vindt in een of meer wettelijke voorschriften, falen zij reeds omdat zij niet nader aanduiden welke wettelijke bepaling(en) zij op het oog hebben. Ook overigens zijn zij tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft kennelijk de statuten van de vennootschap aldus uitgelegd dat de omstandigheid dat volgens art. 8 lid 1 de Pro prioriteitsaandelen, anders dan de gewone aandelen, in het onderhavige geval slechts aan de vennootschap kunnen worden aangeboden, niet eraan in de weg staat dat het aanbod zowel op de prioriteitsaandelen als op de gewone aandelen, als één onverbrekelijk geheel, betrekking had. Dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden onderzocht.
3.3 In rov. 21 van zijn arrest heeft het Hof overwogen, kort samengevat, dat [eisers] redelijkerwijs niet ervan konden uitgaan dat [verweerster 1], gelet op haar financiële omstandigheden, de prioriteitsaandelen niet te zamen met de gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel te koop zou aanbieden, en dat de NMB redelijkerwijs niet ervan behoefde uit te gaan dat [eisers] uit haar brief van 8 augustus 1989 begrepen dat de gewone aandelen en de prioriteitsaandelen afzonderlijk werden aangeboden. Het derde onderdeel keert zich tegen het hierop gebaseerde oordeel van het Hof dat de prioriteitsaandelen en de gewone aandelen als één onverbrekelijk geheel zijn aangeboden. Voor zover het daarbij voortbouwt op de in het eerste en tweede onderdeel naar voren gebrachte klacht dat [verweerster 1] hiertoe niet gerechtigd was, stuit het af op het hiervoor onder 3.2 overwogene. Ook voor het overige faalt het onderdeel. Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan wegens zijn feitelijke karakter in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk.
3.4 Het vierde onderdeel klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat ingevolge art. 8 lid 1 van Pro de statuten het aanbod van de prioriteitsaandelen meebrengt dat zij ook moeten worden overgedragen, ongeacht de gevolgen van de aanbieding van de gewone aandelen. Het onderdeel ziet voorbij aan de, blijkens het vorenoverwogene tevergeefs bestreden, vaststelling dat de prioriteitsaandelen en de gewone aandelen als één pakket waren aangeboden, en dat derhalve geen overeenkomst tot stand was gekomen zolang niet over het geheel overeenstemming was bereikt. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
3.5 Het vijfde onderdeel, dat strekt ten betoge dat de opvatting van het Hof meebrengt dat de statutaire blokkeringsregeling met betrekking tot de prioriteitsaandelen niet geldt, indien zij worden aangeboden in samenhang met gewone aandelen en binnen de vennootschap voor de gewone aandelen geen gegadigde zou zijn, gaat uit van een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest. De vraag of en in hoeverre de blokkeringsregeling in deze situatie uitzondering zou lijden, is in dit kort geding niet aan het Hof voorgelegd, en het Hof heeft zich dan ook niet uitgelaten over de vraag aan wie in deze situatie de prioriteitsaandelen zouden kunnen worden overgedragen. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op f 457,20 aan verschotten en f 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Roelvink, als voorzitter, Neleman en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op
3 december 1993.