Uitspraak
17 december 1993.
Hoge Raad
Eiseres vorderde schadevergoeding wegens vermeende seksuele intimiteiten door verweerder, haar maatschappelijk werker tijdens therapie. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel na bewijslevering en getuigenverhoren, omdat de intimiteiten onbewezen bleven.
In cassatie richtte eiseres zich tegen het oordeel van het hof, stellende dat zij voldoende bewijs had aangedragen en dat het hof ten onrechte bepaalde verklaringen niet onderzocht had. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren gespecificeerd, dat het hof geen verboden feitelijke aanvullingen had gedaan, en dat het niet horen van eiseres als getuige geen schending van procesrecht was.
Verder verwierp de Hoge Raad het betoog dat het hof de bewijslast had moeten omkeren, omdat dit niet was voorgesteld in het geding. De waardering van bewijs blijft aan de feitenrechter. Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het hofarrest bekrachtigd.