Uitspraak
[X], voorheen [X] , statutair gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 1 mei 1991 betreffende na te melden door de Inspecteur der vennootschapsbelasting te Amsterdam gegeven beschikking.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een besloten vennootschap met statutaire zetel in Nederland, maar feitelijk in Ierland wonende en daar een onderneming drijvend, voor de Nederlandse vennootschapsbelasting binnenlandse belastingplichtig is voor haar gehele winst, inclusief verliezen, of slechts voor binnenlandse bronnen van inkomen.
De Inspecteur had het aanloopverlies van de vennootschap voor het boekjaar 1983-1984 op nihil vastgesteld. De vennootschap kwam hiertegen in bezwaar en beroep, maar het Hof handhaafde de beschikking. De vennootschap stelde in cassatie dat het Verdrag Nederland-Ierland en de Nederlandse wetgeving vereisen dat zij als binnenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt en dat haar gehele winst, inclusief negatieve resultaten, in Nederland belast moet worden.
De Hoge Raad overwoog dat de vennootschap voor het Verdrag als inwoner van Ierland moet worden beschouwd en dat volgens artikel 5, lid 1, van het Verdrag de voordelen uit een onderneming die in Ierland wordt gedreven, alleen in Ierland belastbaar zijn. Dit omvat ook verliezen. De Nederlandse wetgeving en het Verdrag staan niet toe dat deze verliezen in Nederland worden belast. Daarom kan het aanloopverlies niet in Nederland in aanmerking worden genomen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vennootschap niet in Nederland belastbaar is voor de verliezen van haar in Ierland gedreven onderneming. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het Verdrag en de begrenzing van binnenlandse belastingplicht in het kader van internationale verdragen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vennootschap niet in Nederland belastbaar is voor de verliezen van haar in Ierland gedreven onderneming.