Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 10 oktober 1991 betreffende de haar voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, houdster van alle aandelen in [A] B.V., verkocht deze aandelen in 1982 aan [B] B.V. De koopprijs bestond uit de intrinsieke waarde plus een recht op toekomstige uitkeringen gebaseerd op het bruto-inkomen van [A] B.V. over 1982-1985. Belanghebbende nam de contante waarde van dit recht op in haar aangifte en paste de deelnemingsvrijstelling toe.
De waardeverminderingen van dit recht op uitkeringen werden door belanghebbende ten laste van de winst gebracht. Het Hof oordeelde dat deze waardeveranderingen nauw samenhangen met de vervreemding en daarom tot de voordelen uit hoofde van de deelneming moeten worden gerekend, wat belanghebbende betwistte in cassatie.
De Hoge Raad stelde dat waardeveranderingen van het recht op toekomstige uitkeringen, die niet direct verband houden met de waarde van de aandelen, niet als voordelen uit hoofde van de deelneming kunnen worden aangemerkt. Dit recht kan zelfstandig winsten en verliezen veroorzaken. Het arrest vernietigt het oordeel van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek, met name over de stelling van de Inspecteur dat de waardering van het recht bij verwerving onjuist was.
De Hoge Raad gelast tevens vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende en benadrukt dat de waardeveranderingen van het recht op uitkeringen niet automatisch deel uitmaken van de deelnemingsvrijstelling onder artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de waardering van het recht op toekomstige uitkeringen.