Uitspraak
[X] B.V. te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 20 januari 1992 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de regeling voor kleine ondernemers in de Wet op de omzetbelasting 1968, die natuurlijke personen een belastingvermindering verleent, ook van toepassing is op ondernemers die rechtspersonen zijn. Belanghebbende, een besloten vennootschap, had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989, welke door het Hof werd afgewezen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende verworpen. Het Hof had geoordeeld dat artikel 25, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet geldt voor rechtspersonen, gelet op artikel 24 van Pro de Zesde Richtlijn. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. Middelen die stelden dat de regeling ook voor rechtspersonen zou moeten gelden, faalden omdat de wettelijke regeling en de Europese richtlijn dit niet ondersteunen.
Verder werd besproken dat de wijziging van de regeling per 1 januari 1987 niet heeft geleid tot een andere grondslag binnen de Zesde Richtlijn. De bovengrens van de vermindering was zelfs verlaagd, en de voorwaarden ongewijzigd gebleven. De Hoge Raad wees het beroep af en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de regeling voor kleine ondernemers niet geldt voor rechtspersonen en wijst het cassatieberoep af.