Uitspraak
[woonplaats].
16 maart 1993.
Hoge Raad
In deze zaak werd een klaagschrift ingediend tegen een strafrechtelijk beslag op goederen die in oktober 1987 waren in beslag genomen. De klager stelde dat hij pas in november 1991 kennis had genomen van het beslag en dat de termijn van drie jaar voor het indienen van het klaagschrift daarom later moest beginnen te lopen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het ruim vier jaar na de inbeslagneming was ingediend, terwijl de wettelijke termijn drie jaar bedraagt. De Hoge Raad bevestigde deze beslissing en stelde dat de termijn voor het klaagschrift begint te lopen op het moment van de inbeslagneming zelf, ongeacht wanneer de belanghebbende kennis neemt van het beslag.
De Hoge Raad verwierp daarmee het cassatieberoep en oordeelde dat er geen grond was om de beschikking van de rechtbank ambtshalve te vernietigen. De beschikking werd bevestigd en het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de termijn voor het klaagschrift begint bij inbeslagneming en verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn.