Uitspraak
[woonplaats].
23 november 1993.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank een klaagschrift van klager niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift niet bij het juiste gerecht was ingediend. Klager had namelijk het klaagschrift moeten indienen bij de Rechtbank Utrecht, omdat de in beslag genomen goederen niet onder hem maar onder andere verdachten vielen die voor die rechtbank werden vervolgd.
Het Hof had klager niet-ontvankelijk verklaard, maar de Hoge Raad oordeelt dat het Hof zich in dit geval onbevoegd had moeten verklaren en het klaagschrift had moeten doorzenden naar de bevoegde rechtbank. Dit volgt uit artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat het klaagschrift moet worden ingediend bij het gerecht dat bevoegd is tot afdoening, en bij onduidelijkheid moet worden doorgezonden.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking, verklaart het Hof onbevoegd en bepaalt dat het klaagschrift ter behandeling naar de Rechtbank Utrecht wordt gezonden. Hiermee wordt de procedure hervat bij het juiste gerecht, conform de wettelijke bepalingen en beginselen van goede procesvoering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst het klaagschrift door naar de bevoegde rechtbank Utrecht.