6.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aldaar een beroep op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces gedaan, dat het Hof in het bestreden arrest als volgt heeft weergegeven en verworpen:
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hij uit noodweer heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt het slachtoffer, dat tegen de nog vrij nieuwe auto van cliënt had aangeschopt en hem vervolgens, nadat hij was uitgestapt, was aangevlogen, slechts heeft geslagen ter noodzakelijke verdediging van zijn auto en zijn persoon.
Het hof verwerpt dit verweer, nu de verdachte zich op eenvoudige wijze aan de ontstane situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen. Niet aannemelijk is geworden dat voor een dergelijke handelwijze feitelijke belemmeringen bestonden.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake was van noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt door de handelwijze van het slachtoffer, zoals eerder omschreven bij het beroep op noodweer, nogal geschrokken was, boos is geworden en vervolgens, zijnde niet opgeleid om situaties als de onderhavige op andere wijze het hoofd te bieden, vanuit deze hevige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.
Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging.
6.2. Hetgeen het Hof blijkens het hiervoren onder 6.1 weergegeven in de eerste plaats - ter verwerping van het beroep op noodweer - heeft geoordeeld houdt in dat het Hof niet aannemelijk geworden acht dat voor de verdachte de noodzaak bestond zich en zijn nieuwe auto te verdedigen tegen de aanranding door [betrokkene 1].
Het beroep op noodweer heeft het Hof op feitelijke en niet onbegrijpelijke gronden verworpen, in cassatie kan niet worden onderzocht of dit oordeel juist is.
In aansluiting op de verwerping van het beroep op noodweer heeft het Hof het beroep op noodweerexces verworpen, "reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging".
Aldus heeft het Hof het beroep op noodweerexces verworpen op een niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende en toereikend gemotiveerde grond, immers: Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien (a) de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien (b) op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder (a) bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr kan zich mitsdien alleen voordoen indien deze verdediging noodzakelijk is of noodzakelijk is geweest.