Uitspraak
7 juni 1994.
Hoge Raad
In deze zaak werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk gebruik maken van vervalste betaalkaarten en passen in Italië en Zwitserland, alsmede medeplichtigheid en medeplegen met betrekking tot bankbiljetten waarvan de valsheid bekend was. De straf bestond uit negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
De verdachte stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof onvoldoende had onderzocht of de feiten in Italië en Zwitserland strafbaar waren gesteld volgens de wetgeving van die landen. Daarnaast werd geklaagd dat de buitenlandse wetsteksten niet in het Nederlands waren gesteld en niet volledig of gewaarmerkt waren overgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk had onderzocht of de feiten in Italië en Zwitserland strafbaar waren gesteld en dat art. 5 Sr Pro niet vereist dat buitenlandse strafwetten in het Nederlands of gewaarmerkt worden overgelegd. Ook is niet vereist dat de buitenlandse strafwet dezelfde strafbaarstelling kent als de Nederlandse wet. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Nederlandse strafwet op buitenlandse feiten indien die feiten in het buitenland strafbaar zijn gesteld, zonder strikte eisen aan de overgelegde buitenlandse wetsteksten. De strafrechtelijke veroordeling blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het gebruik van vervalste betaalkaarten in Italië en Zwitserland.