ECLI:NL:HR:1994:AA2938
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over invorderingsrente bij voorlopige en definitieve aanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg een voorlopige aanslag inkomstenbelasting opgelegd die later hoger bleek dan de definitieve aanslag. Zij vroeg uitstel van betaling voor het te veel betaalde bedrag en betaalde een deel van de aanslag. De ontvanger bracht invorderingsrente in rekening over het uitgestelde bedrag.
Het Hof vernietigde de beschikking van de ontvanger en oordeelde dat de invorderingsrente niet terecht was geheven omdat uit de Leidraad Invordering 1990 volgt dat bij uitstel van betaling en een duidelijk te hoge voorlopige aanslag de rente verlaagd moet worden.
De Hoge Raad bevestigt dat strikt genomen invorderingsrente verschuldigd is bij elke aanslag, maar volgt het Hof in de uitleg van de Leidraad en het doel van artikel 28 Invorderingswet Pro 1990. De Hoge Raad oordeelt dat in gevallen zoals deze de invorderingsrente niet in rekening gebracht dient te worden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Er worden geen proceskosten aan de Staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de invorderingsrente ten onrechte is geheven.