Art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering aanslag vennootschapsbelasting wegens vervangingsreserve na verbreking fiscale eenheid
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was tot en met 1985 onderdeel van een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap B.V. A, aan wie zij een pand verhuurde. Op 24 december 1986 verkocht belanghebbende haar aandelen in B.V. A, waarmee de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 1986 werd verbroken. Ultimo 1986 verkocht belanghebbende het pand aan B.V. A en droeg het economisch eigendom over.
De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op voor het jaar 1986, die na bezwaar werd verminderd maar door het hof werd bevestigd. Het geschil betrof de vraag of het verschil tussen de opbrengst en boekwaarde van het pand in een vervangingsreserve mocht worden opgenomen.
Het hof oordeelde dat de terugwerkende kracht van de verbreking van de fiscale eenheid geen betekenis had voor de economische functie van het pand. De Hoge Raad stelde echter vast dat een aan een dochtervennootschap verhuurd bedrijfsmiddel, zonder fiscale eenheid, dezelfde functie heeft als verhuur aan een derde partij. Omdat belanghebbende voornemens was het pand te vervangen door een ander verhuurd pand, mocht het verschil in een vervangingsreserve worden opgenomen.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van het hof en de Inspecteur, stelde de aanslag op nihil en bepaalde dat belanghebbende de betaalde griffierechten terugkrijgt. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten. Dit arrest werd gewezen door de vice-president Jansen en raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt de aanslag vennootschapsbelasting op nihil wegens recht op vervangingsreserve.
Uitspraak
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 april 1993 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 513.358,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende vormde tot en met 1985 een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 vanPro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met onder meer B.V. A, aan welke vennootschap zij een haar toebehorend pand te Q verhuurde. 3.1.2. Op 24 december 1986 heeft belanghebbende haar aandelen B.V. A verkocht, waardoor de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 1986 is verbroken. In het kader van de aandelenoverdracht heeft belanghebbende haar pand te Q (hierna: het pand) ultimo 1986 voor f 1.000.000,-- aan B.V. A verkocht en aan haar in economische eigendom overgedragen. 3.1.3. Belanghebbende was op de balansdatum voornemens het pand te vervangen door een verhuurd beleggingspand.
3.2. In geschil is of belanghebbende het verschil, groot f 541.215,--, tussen de opbrengst en de boekwaarde van het verkochte pand in een vervangingsreserve mocht onderbrengen.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de beoordeling van de economische functie van het pand geen betekenis toekomt aan de terugwerkende kracht van de verbreking van de fiscale eenheid, waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat die terugwerkende kracht geen wijziging heeft gebracht in die functie aangezien de fiscale eenheid als zodanig bij de beoordeling van die functie geen rol speelt.
3.4. Middel IV, dat zich tegen dit oordeel keert, slaagt. Immers de functie in de onderneming van een vennootschap van een aan een dochtervennootschap waarmee geen fiscale eenheid bestaat, verhuurd bedrijfsmiddel, is geen andere dan die van een bedrijfsmiddel dat wordt verhuurd aan een derde. Zulks is niet anders in het onderhavige geval waarin de fiscale eenheid met terugwerkende kracht tot 1 januari van het onderwerpelijke jaar is verbroken. Nu belanghebbende voornemens was het aan de dochtervennootschap verhuurde pand te vervangen door een ander verhuurd pand, stond het haar mitsdien vrij het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van dat pand in een vervangingsreserve onder te brengen. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag van nihil, bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 375,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 21 september 1994.