ECLI:NL:HR:1994:AA2962
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onmogelijkheid tot eenzijdige intrekking verzoek omzetbelastingvrijstelling
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1989, nadat de Inspecteur een eerder verleende vergunning tot uitzondering van vrijstelling omzetbelasting had ingetrokken. De vergunning was aanvankelijk verleend na een gezamenlijk verzoek van verkoper en koper, maar de verkoper trok dit verzoek later in. De Inspecteur stelde dat de teruggaaf van omzetbelasting ten onrechte was verleend en legde naheffing op.
Het Gerechtshof vernietigde de naheffingsaanslag, omdat het niet aannemelijk was dat de verkoper zich ten tijde van het verzoek bedreigd voelde of anderszins niet vrij was in zijn wil, en oordeelde dat de verkoper gebonden was aan het gezamenlijke verzoek. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het verzoek tot uitzondering van vrijstelling omzetbelasting, dat door zowel verkoper als koper gezamenlijk moet worden gedaan, niet eenzijdig kan worden ingetrokken door één van hen nadat het is ingediend.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en liet belanghebbende de mogelijkheid om zich uit te laten over proceskosten. Hiermee werd het arrest van het Hof bevestigd en werd de naheffingsaanslag vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verzoek tot uitzondering van omzetbelastingvrijstelling niet eenzijdig kan worden ingetrokken.