ECLI:NL:HR:1994:AA2962

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29474
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter a sub 2° Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onmogelijkheid tot eenzijdige intrekking verzoek omzetbelastingvrijstelling

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1989, nadat de Inspecteur een eerder verleende vergunning tot uitzondering van vrijstelling omzetbelasting had ingetrokken. De vergunning was aanvankelijk verleend na een gezamenlijk verzoek van verkoper en koper, maar de verkoper trok dit verzoek later in. De Inspecteur stelde dat de teruggaaf van omzetbelasting ten onrechte was verleend en legde naheffing op.

Het Gerechtshof vernietigde de naheffingsaanslag, omdat het niet aannemelijk was dat de verkoper zich ten tijde van het verzoek bedreigd voelde of anderszins niet vrij was in zijn wil, en oordeelde dat de verkoper gebonden was aan het gezamenlijke verzoek. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het verzoek tot uitzondering van vrijstelling omzetbelasting, dat door zowel verkoper als koper gezamenlijk moet worden gedaan, niet eenzijdig kan worden ingetrokken door één van hen nadat het is ingediend.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en liet belanghebbende de mogelijkheid om zich uit te laten over proceskosten. Hiermee werd het arrest van het Hof bevestigd en werd de naheffingsaanslag vernietigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verzoek tot uitzondering van omzetbelastingvrijstelling niet eenzijdig kan worden ingetrokken.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 januari 1993 betreffende na te melden aan de fiscale eenheid X N.V. c.s. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 123.500,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 21 maart 1985 heeft B.V. A een dochtermaatschappij deel uitmakende van de fiscale eenheid van belanghebbende (hierna: A), in een openbare verkoop, waartoe de hypotheekneemster opdracht had gegeven, van de eigenaar B het onroerend goed, gelegen aan de a-straat 1 te Q, gekocht voor een prijs van f 650.000,-- exclusief omzetbelasting. Op 30 januari 1986 dienden B en A een verzoek als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter a, sub 2° van de Wet op de omzetbelasting 1968 in om te worden uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting. Dit verzoek werd op 3 juni 1986 ingewilligd. Bij brief van 7 december 1987 gaf B te kennen het verzoek alsnog in te trekken, waarop de Inspecteur bij brief van 29 december 1987 aan belanghebbende meedeelde dat de op 3 juni 1986 verleende vergunning om te worden uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting was ingetrokken, aangezien, doordat de verkoper zijn eerder ingediende verzoek had ingetrokken, niet langer werd voldaan aan te dezer zake gestelde eisen. Voorts deelde de Inspecteur zowel aan B als aan A mee dat ter zake van de levering van het onroerend goed geen omzetbelasting in rekening mocht worden gebracht. Op 24 juni 1988 is het onroerend goed aan A geleverd. Op 27 juli 1989 is aan belanghebbende ter zake van die levering op haar verzoek ambtshalve een teruggaaf verleend van f 123.500,--. Nadien heeft de Inspecteur, zich op het standpunt stellend dat de teruggaaf van f 123.500,-- ten onrechte had plaatsgevonden, omdat er ten tijde van de levering geen verzoek als bedoeld in voormeld artikel 11, lid 1, letter a, sub 2o door zowel de koper als de verkoper was gedaan, het bedrag van f 123.500,-- bij de onderwerpelijke naheffingsaanslag nageheven.
3.2. Het Hof heeft vastgesteld dat B in zijn brief van 7 december 1987 niet aangeeft wat de reden is van zijn wens om terug te komen op het eerder gedane verzoek, en dat de Inspecteur heeft aangevoerd dat B nader - na een gesprek ter inspectie te R - tot het inzicht is gekomen dat het gezamenlijke verzoek hem geen voordeel bood. Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat B ten tijde van het gezamenlijk verzoek zich bedreigd kon voelen, moet hebben gedwaald, is bedrogen dan wel anderszins niet in staat zou zijn geweest vrijelijk zijn wil te bepalen, zodat B gebonden is aan de geuite wil - het gezamenlijk verzoek - en hij het verzoek niet ongedaan kan maken, laat staan dat hij dat zou kunnen zonder medewerking van de andere verzoeker, te weten A. Op deze grond heeft het Hof ten gunste van belanghebbende beslist.
3.3. Het middel gaat uit van de opvatting dat eenzijdige intrekking van het verzoek om te worden uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting in de zin van voornoemd artikel door één van de verzoekers mogelijk is, zolang de levering nog niet heeft plaatsgevonden. Te dien aanzien heeft het volgende te gelden. Het verzoek tot belaste levering heeft gevolgen voor zowel verkoper als koper. Nu de wet voorschrijft dat een zodanig verzoek door de verkoper en de koper gezamenlijk gedaan moet worden, kan dat verzoek, als het eenmaal is gedaan, niet eenzijdig door een van deze beiden worden ingetrokken. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 28 september 1994.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f 300,--.