ECLI:NL:HR:1994:AA3004

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29893
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 4 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek niet-betaalde rente bij navorderingsaanslag vennootschapsbelasting

X B.V. kreeg over het boekjaar 1982/1983 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een belastbaar bedrag van f 2.309.567,--. De aanslag werd verhoogd met een boete van 100%, waarvan de Inspecteur 75% kwijtgescholden heeft. X B.V. ging in beroep bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de navorderingsaanslag handhaafde zonder de boete.

In cassatie stelde X B.V. dat de niet in rekening gebrachte rente op renteloze leningen van een Curaçaose zustervennootschap als een informele kapitaalstorting moest worden aangemerkt en fiscaal aftrekbaar was. Het Hof oordeelde echter dat rente die, indien wel betaald, niet aftrekbaar zou zijn volgens artikel 13 lid 4 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969, ook niet aftrekbaar kan zijn als deze niet is betaald en niet als kapitaalstorting kan worden gezien.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens achtte de Hoge Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiermee blijft de navorderingsaanslag ongewijzigd gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 augustus 1993 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het boekjaar 1982/1983 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 2.309.567,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 25 percent is kwijtgescholden. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag en dit besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd zonder de daarin begrepen verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende maakt deel uit van de A groep. Zij heeft in 1979 en 1983 van een op Curaçao gevestigde zustervennootschap renteloze leningen verkregen, waarmee zij een buitenlandse deelneming heeft gefinancierd. 3.1.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de niet in rekening gebrachte rente als informele kapitaalstorting moet worden aangemerkt en daartegenover bij de fiscale winstberekening in aftrek kan worden gebracht.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat indien belanghebbende daadwerkelijk rente op de leningen zou hebben betaald, die rente ingevolge artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals die wet destijds luidde, niet in aftrek op het fiscale resultaat kan komen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat waar deze als normaal veronderstelde betaling van rente - ingevolge voornoemde bepaling - niet haar plaats kan vinden bij de fiscale winstbepaling, evenmin bij niet-betaling van de rente, op informele wijze, een kapitaalstorting tot uitdrukking kan worden gebracht die voor de fiscale winstbepaling van betekenis kan zijn. Het middel, dat zich tegen laatstgenoemd oordeel keert, faalt, aangezien geen grond bestaat voor aftrek van niet betaalde rente die, indien zij wel was betaald, ingevolge voormeld artikel 13, lid 4, niet in aftrek zou komen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 9 november 1994.