ECLI:NL:HR:1994:AA3008

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30004
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof over ondernemersstatus in inkomstenbelasting 1988

Belanghebbende was lid van een samenwerkingsverband op het gebied van anthroposofische geneeskunst en voerde daarnaast cursussen Sociale Driegeleding. Voor het jaar 1988 werd hem een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar en beroep bij het hof werd bevestigd. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet als zelfstandige ondernemer handelde, mede vanwege het ontbreken van financieel ondernemersrisico en het spraakgebruik rond de cursussen.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende inzicht gaf in zijn motivering, met name over de cursussen Sociale Driegeleding. Het spraakgebruik alleen is niet doorslaggevend voor de ondernemersstatus en het hof gaf geen duidelijke motivering over andere relevante factoren. Ook bleef onduidelijk of het financiële resultaat van de werkgroep direct voor rekening van de deelnemers kwam, wat van belang is voor de kwalificatie als ondernemer.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof te Amsterdam voor een nieuwe beoordeling in meervoudige kamer, met inachtneming van de motiveringsvereisten. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de ondernemersstatus.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 oktober 1993 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 28.097,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende maakt deel uit van een samenwerkingsverband (hierna: de werkgroep) op het gebied van de anthroposofische geneeskunst ten behoeve van patiënten, die tezamen met de werkgroep het genootschap A vormen. De werkgroep bepaalt het beleid ten aanzien van de niet-medische/therapeutische aangelegenheden binnen A. Belanghebbendes taak in de werkgroep omvat naast het geven van cursussen bijzondere beleids- en uitvoeringstaken, het geven van voorlichting, ook aan andere soortgelijke samenwerkingsverbanden, alsmede fondswerving en juridische begeleiding. Hij draagt geen beroepsaansprakelijkheid. De cursussen Sociale Driegeleding, die belanghebbende daarnaast geeft, staan los van deze taak. Voor zijn werkzaamheden maakt belanghebbende geen reclame. Zijn gehoor bij de cursussen vormt zich door mondelinge aanbeveling. Tegenover derden treedt de werkgroep als eenheid op. Alle betalingen en vrijwillige bijdragen komen op een centrale rekening van A. De zorgverlening en de financiële bijdragen daarvoor zijn principieel strikt van elkaar gescheiden. De leden van de werkgroep delen in het voordelig resultaat van de groep naar behoefte. Er bestaat geen aanspraak op goodwill. Belanghebbende overreedt in individuele gevallen patinten/leden van A een lening te verstrekken ten behoeve van de werkgroep. Hij acht zich, in geval de werkgroep niet aan haar verplichtingen kan voldoen, zelf voor de terugbetaling van de geleende gelden aansprakelijk.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de vaststaande - in onderdeel 3 van 's Hofs uitspraak vermelde - feiten kan worden afgeleid dat belanghebbende, functionerend als lid van de werkgroep, niet als zelfstandige beroepsbeoefenaar optreedt en dat ook met betrekking tot de cursussen Sociale Driegeleding, die belanghebbende geeft, ook naar het spraakgebruik, niet gesproken kan worden van de zelfstandige uitoefening van een beroep, terwijl van enig financieel ondernemersrisico dienaangaande niet is gebleken.
3.3. Het primaire middel keert zich met een motiveringsklacht tegen deze oordelen. Het middel slaagt. Met betrekking tot het oordeel over de cursussen Sociale Driegeleding geeft 's Hofs uitspraak onvoldoende inzicht in de door het Hof gevolgde gedachtegang aangezien het spraakgebruik op zichzelf niet doorslaggevend is voor de vraag of een belastingplichtige ondernemer is in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, terwijl het Hof niet aangeeft welke andere factoren het naast het spraakgebruik en het financieel risico van belang heeft geacht terwijl 's Hofs oordeel dat van enig financieel risico dienaangaande niet is gebleken, onbegrijpelijk is, nu het financiële resultaat van belanghebbendes cursussen kennelijk afhankelijk is van het aanbod aan cursisten. Ter onderbouwing van zijn oordeel met betrekking tot belanghebbendes activiteiten als lid van de werkgroep heeft het Hof volstaan met verwijzing naar de vaststaande feiten, en daarmee in het midden gelaten de te beantwoorden vraag of het financiële resultaat voor rekening van de werkgroep dan wel rechtstreeks voor rekening van de deelnemers in de werkgroep komt. Indien immers de resultaten van de door de werkgroep kennelijk ondernemingsgewijze verrichte werkzaamheden rechtstreeks voor rekening van de deelnemers - onder wie belanghebbende - komen, zijn deze te dier zake als ondernemer aan te merken.
3.4. Op grond van het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het subsidiaire middel behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na de uitspraak in het openbaar van dit arrest zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 7 december 1994.
De beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 1994.