ECLI:NL:HR:1994:AA3009

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30032
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Wildeboer
  • Urlings
  • Herrmann
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 1 onder 2 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 101a Wet op de rechtelijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering taxatierapport in onroerendgoedbelastingzaak ondanks termijnoverschrijding

Belanghebbende was het niet eens met de voor het jaar 1990 opgelegde aanslagen onroerendgoedbelasting door de gemeente De Marne over een woning te Z. Na bezwaar handhaafde het gemeentelijke Hoofd van de sector financiën de aanslagen, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Leeuwarden. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Hoofd en verlaagde de aanslagen op basis van een lagere heffingsgrondslag.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof, met name stellende dat het Hof ten onrechte te veel gewicht had toegekend aan een taxatierapport dat na de door het Hof gestelde termijn was ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding geen reden is om het taxatierapport buiten beschouwing te laten, omdat het Hof als feitenrechter vrij is in de waardering van bewijsstukken.

De overige klachten van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering, aangezien deze niet tot relevante rechtsvragen leidden. De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd vastgesteld door de vice-president Stoffer en vier raadsheren en uitgesproken op 21 december 1994.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vermindering van de aanslagen door het Hof.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 maart 1993 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente De Marne.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1990 wegens het genot krachtens zakelijk recht en feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z (hierna: de woning), op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente De Marne opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 118.000,-- welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de sector financiën van de gemeente De Marne (hierna: het Hoofd) zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslagen verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van f 106.000,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Hoofd heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. De klacht onder I houdt in dat het Hof met betrekking tot zijn oordeel omtrent de per 1 januari 1989 voor de heffing van de onroerendezaakbelastingen aan belanghebbendes woning toe te kennen waarde in het economische verkeer te veel gewicht heeft toegekend aan de door het Hoofd bij brief van 22 december 1992 in de vorm van een taxatierapport gegeven nadere inlichtingen, nu deze inlichtingen zijn verstrekt na de door het Hof hiervoor tijdens de eerste mondelinge behandeling van de zaak gestelde termijn. Deze klacht faalt. Geen rechtsregel dwingt ertoe aan te nemen dat de enkele omstandigheid dat inlichtingen als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder 2 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken eerst na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn aan het Hof zijn verstrekt van invloed is op de vrijheid die het Hof als feitenrechter bij de waardering van inlichtingen toekomt. Voor zover de klacht ertoe strekt te betogen dat het Hof het taxatierapport als tardief buiten beschouwing had moeten laten faalt de klacht evenzeer (Hoge Raad 8 juli 1986, nr. 23.122, BNB 1986/292). 3.2. De overige klachten van belanghebbende kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechtelijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 7 december 1994.
De beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 1994.