ECLI:NL:HR:1994:AA3014
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie van overeenkomsten als dienstbetrekking bij uienschilbedrijf
Belanghebbende exploiteert een uienschilbedrijf en maakt gebruik van losse hulpen, voornamelijk schoolgaande kinderen tot 13 jaar, die per volle baal geschilde uien worden betaald. De hulpen mogen zelf hun werktijd bepalen en kunnen op elk moment stoppen. Het hof kwalificeerde de overeenkomsten als overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten en vernietigde de naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen.
De Hoge Raad stelt dat het schillen van uien het bewerken van stoffelijke voorwerpen betreft en daarmee het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard is. Omdat belanghebbende per baal betaalt, kwalificeren de overeenkomsten als aanneming van werk volgens artikel 7A:1637b BW. Hierdoor moeten de overeenkomsten worden beschouwd als dienstbetrekking in de zin van artikel 3, lid 1, onder a, van de Wet op de loonbelasting 1964.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, behoudens het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van de inspecteur die de naheffingsaanslag handhaafde. Er worden geen proceskosten toegewezen. De beslissing werd genomen door vijf raadsheren en uitgesproken op 14 december 1994.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomsten tussen belanghebbende en losse hulpen als dienstbetrekking kwalificeren en handhaaft de naheffingsaanslag loonbelasting.