ECLI:NL:HR:1994:AA3014

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30415
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub a Wet op de loonbelasting 1964Art. 7A:1637b Burgerlijk WetboekArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie van overeenkomsten als dienstbetrekking bij uienschilbedrijf

Belanghebbende exploiteert een uienschilbedrijf en maakt gebruik van losse hulpen, voornamelijk schoolgaande kinderen tot 13 jaar, die per volle baal geschilde uien worden betaald. De hulpen mogen zelf hun werktijd bepalen en kunnen op elk moment stoppen. Het hof kwalificeerde de overeenkomsten als overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten en vernietigde de naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen.

De Hoge Raad stelt dat het schillen van uien het bewerken van stoffelijke voorwerpen betreft en daarmee het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard is. Omdat belanghebbende per baal betaalt, kwalificeren de overeenkomsten als aanneming van werk volgens artikel 7A:1637b BW. Hierdoor moeten de overeenkomsten worden beschouwd als dienstbetrekking in de zin van artikel 3, lid 1, onder a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, behoudens het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van de inspecteur die de naheffingsaanslag handhaafde. Er worden geen proceskosten toegewezen. De beslissing werd genomen door vijf raadsheren en uitgesproken op 14 december 1994.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomsten tussen belanghebbende en losse hulpen als dienstbetrekking kwalificeren en handhaaft de naheffingsaanslag loonbelasting.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 1994 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 maart 1992 een naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 102,-- zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft deze uitspraak, alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende bedient zich als exploitant van een uienschilbedrijf van losse hulpen, voornamelijk schoolgaande kinderen in de leeftijd tot 13 jaar, voor het schillen van uien. De vergoeding die belanghebbende betaalt voor deze werkzaamheden bedraagt f 3,50 per volle baal geschilde uien. Indien de losse hulpen een baal niet vol krijgen met geschilde uien, ontvangen zij voor die baal geen vergoeding. De losse hulpen mogen zelf hun werktijd indelen, zij bepalen zelf hoeveel werk zij willen verrichten en zij kunnen op elk door hen gewenst moment met die werkzaamheden ophouden. Het schillen van de uien wordt gedaan in een loods van belanghebbende. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de overeenkomsten tussen belanghebbende en de losse hulpen moeten worden gekwalificeerd als overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten. Dit oordeel wordt in middel I bestreden. 3.3. Nu het schillen van uien, zijnde het bewerken van stoffelijke voorwerpen, moet worden aangemerkt als het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard en belanghebbende per baal betaalt, laat dit geen andere gevolgtrekking toe dan dat de overeenkomsten tussen belanghebbende en de losse hulpen gekwalificeerd moeten worden als aanneming van werk als bedoeld in artikel 7A:1637b van het Burgerlijk Wetboek. De overeenkomsten moeten mitsdien worden beschouwd als dienstbetrekking in de zin van artikel 3, lid 1, onder a, van de Wet op de loonbelasting 1964. Middel I is derhalve gegrond en middel II behoeft geen behandeling meer. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 7 december 1994.
De beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 1994.