De zaak betreft de fiscale behandeling van een aandelenemissie door belanghebbende waarbij aandelen werden uitgegeven aan haar kinderen en kleinkinderen, en de vraag of dit een vervreemding in de zin van artikel 39, lid 1, Wet op de inkomstenbelasting 1964 is. Tevens staat ter discussie of de door belanghebbende betaalde rente op een lening bij haar eigen vennootschap aftrekbaar is.
Het hof had geoordeeld dat de uitgifte van aandelen aan de kinderen en kleinkinderen geen vervreemding was en dat de renteaftrek gerechtvaardigd was. De Hoge Raad oordeelt dat de uitgifte van aandelen wel een vervreemding inhoudt, omdat belanghebbende rechten uit haar aanmerkelijk belang heeft overgedragen. Tevens vindt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de renteaftrek toegestaan zou zijn, gezien de kunstmatige constructie waarbij het gestorte kapitaal direct werd teruggeleend.
De Hoge Raad stelt dat de transacties kennelijk gericht waren op het ontgaan van inkomstenbelasting door het creëren van een rentelast die het belastbare inkomen vermindert, terwijl het vermogen feitelijk binnen de familie bleef en de vennootschap financieel niet werd versterkt. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat dergelijke constructies slechts zijn toegestaan indien zij niet in strijd zijn met doel en strekking van de wet, en dat de belastingplichtige niet mag handelen met het voornaamste doel belastingheffing te ontgaan. De Hoge Raad wijst ook op de proceskostenverdeling en stelt belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten.