Uitspraak
4 februari 1994.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een verzoek tot beëindiging van een omgangsregeling tussen verweerder en zijn kinderen, geboren uit een niet-erkend samenlevingsverband met verzoekster 2. Verzoekers, bestaande uit verzoeker 1 en verzoekster 2, hebben bij de Kinderrechter en later in hoger beroep geprobeerd de omgangsregeling te wijzigen of te beëindigen. Het Hof vernietigde een eerdere beschikking van de Rechtbank en bekrachtigde een andere, waarna de zaak werd terugverwezen.
Het centrale geschilpunt in cassatie betrof de ontvankelijkheid van verweerder in zijn verzoek tot omgang, waarbij verzoekers stelden dat geen sprake was van family life in de zin van art. 8 EVRM Pro vanwege het ontbreken van een samenlevingsverband. De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had geoordeeld dat verzoekers door hun eerdere houding, waarbij zij instemden met de omgangsregeling, dit standpunt hadden laten varen en daarop niet in deze procedure konden terugkomen.
De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en verwerpt het cassatieberoep. Hiermee blijft de beschikking van het Hof in stand dat verweerder ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgangsregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat verweerder ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgangsregeling.