Uitspraak
gevestigd te Heerlen,
29 april 1994.
Hoge Raad
Op 21 januari 1983 vond een verkeersongeval plaats waarbij een ambtenaar van de Gemeente Amsterdam om het leven kwam. Het ABP en de Gemeente vorderden verhaal op de aansprakelijke WAM-verzekeraar voor pensioen- en overlijdensuitkeringen. De zaak betrof onder meer de vraag of het verhaal beperkt is tot het moment waarop de overledene 65 jaar zou zijn geworden, de berekening van het civiel plafond, de hertrouwkansen van de weduwe en de status van stiefkinderen als kinderen in de zin van art. 1406 BW Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het ABP en de Gemeente zelfstandige vorderingen hadden, dat het verhaal van pensioenuitkeringen na het 65e levensjaar beperkt is tot het deel waarvoor nog geen aanspraak bestond, en dat bij de berekening van het civiel plafond rekening moet worden gehouden met de statistische eindleeftijd. De hertrouwkansen van de weduwe moeten worden beoordeeld aan de hand van redelijke verwachtingen, waarbij terughoudendheid geboden is.
Voorts stelde de Hoge Raad dat stiefkinderen die tot het gezin van de overledene behoren en door hem worden onderhouden, ook onder het toen geldende recht als kinderen in de zin van art. 1406 BW Pro moeten worden beschouwd, waardoor het ABP verhaal kan nemen voor de kosten van het uitgekeerde wezenpensioen aan deze stiefkinderen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof Amsterdam voor zover dat in strijd was met deze uitgangspunten, verklaarde NN en de Gemeente deels niet-ontvankelijk en verwees de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. De kosten werden deels gecompenseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam deels, verklaart NN en de Gemeente deels niet-ontvankelijk en verwijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.