Verzoekster, geboren in Suriname in 1926, had in 1975 haar woonplaats in Nederland en bezat toen de Nederlandse nationaliteit. Na langdurig verblijf in Suriname van 1983 tot 1988, werd zij op grond van de Toescheidingsovereenkomst in 1985 geacht de Surinaamse nationaliteit te hebben verkregen en de Nederlandse te hebben verloren. Haar Nederlandse paspoort werd in 1987 ingetrokken door de tijdelijke zaakgelastigde in Paramaribo.
Verzoekster voerde aan dat zij de Nederlandse nationaliteit had behouden omdat zij pas in 1993 kennis kreeg van de intrekking en zich niet had laten uitschrijven uit het bevolkingsregister. De rechtbank verwierp dit, stellende dat het enkel op verwachtingen gebaseerd beroep niet toereikend is en dat de verstrekte Surinaamse documenten het verlies van de Nederlandse nationaliteit bevestigen.
De Hoge Raad oordeelt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit strikt geregeld is in de Wet op het Nederlanderschap en de Toescheidingsovereenkomst, en dat een verkregen vertrouwen door overheidshandelingen niet tot behoud leidt. Het beroep wordt verworpen.