Uitspraak
30 september 1994.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Internationale-Nederlanden Bank N.V. en een voormalig directeur en enig aandeelhouder van een failliete B.V. De bank had de kredietverlening aan de B.V. beëindigd, waarna de directeur het bedrijf voortzette met een overeenkomst met de bank. De bank had in een brief van 31 oktober 1984 een principe-toezegging gedaan tot kwijtschelding van schulden en voortzetting van kredietverlening, onder voorwaarde van een positieve beoordeling van het ondernemingsplan.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de bank gebonden was aan deze toezegging en dat de bank de kredietverlening niet mocht staken zonder gegronde redenen, die niet waren aangevoerd. De bank stelde dat zij de kredietverlening terecht had beëindigd, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De Hoge Raad bevestigde dat de bank zich gebonden had aan de in de brief opgenomen voorwaarden en dat de weigering van kredietverlening onrechtmatig was.
De Hoge Raad verwierp alle motiveringsklachten van de bank en oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en niet onbegrijpelijk had geoordeeld. De bank werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd de aansprakelijkheid van de bank bevestigd wegens wanprestatie door het niet nakomen van haar krediettoezegging bij de voortzetting van het faillissementsbedrijf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bank aansprakelijk is voor het niet nakomen van haar krediettoezegging.