Uitspraak
14 oktober 1994.
Hoge Raad
In deze zaak vordert [verweerder 1] de aanwijzing van een noodweg over het perceel van [eisers 2] om zijn ingesloten land te bereiken. De rechtbank wijst de vordering toe, het hof bekrachtigt dit oordeel. [Eisers 1] voeren onder meer aan dat niet alle eigenaren van mogelijke percelen zijn gedagvaard en dat de belangenafweging onjuist is toegepast.
De Hoge Raad oordeelt dat de eiser niet niet-ontvankelijk is omdat niet alle eigenaren zijn gedagvaard; het is voldoende dat eigenaren van percelen die redelijkerwijs in aanmerking komen, zijn betrokken. De belangenafweging moet een belangrijke rol toekennen aan het feit dat het erf van [verweerder 1] door een rechtshandeling van de openbare weg is afgesloten, maar dit is niet per definitie beslissend.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat het perceel van [eisers 2] met de noodweg moet worden belast, mede vanwege de kortere afstand en het ontbreken van alternatieven. Tevens heeft het hof de bezwaren van [eisers 1] voldoende gemotiveerd verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest echter voor wat betreft de proceskostenveroordeling ten nadele van [eisers 1] en veroordeelt [verweerder 1] in de kosten van eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest over proceskostenveroordeling en bevestigt aanwijzing noodweg over perceel van eisers.