In deze zaak stond centraal de vraag of een stil pandrecht op vorderingen rechtsgeldig was gevestigd door middel van een onderhandse akte die verwees naar een specificatielijst die niet aan de akte was gehecht en ook niet ter registratie was aangeboden. De Bank had aan Litho House B.V. krediet verleend en op basis van onderhandse akten uit mei 1992 pandrechten gevestigd op de uitstaande vorderingen, gespecificeerd in computerlijsten. De curator van Litho House B.V. betwistte de geldigheid van deze pandrechten, stellende dat de vorderingen onvoldoende omschreven waren en dat de registratie van de akte niet tijdig had plaatsgevonden.
De Rechtbank had geoordeeld dat de vorderingen in de akte voldoende moesten worden omschreven en dat de specificatielijsten aan de akte gehecht of samen met de akte geregistreerd moesten worden. De Hoge Raad verwierp deze strenge eisen en stelde dat het voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat achteraf kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De registratie van de akte geldt als de dag waarop de akte ter registratie is aangeboden, niet de dag van daadwerkelijke inschrijving.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank voor zover het de geldigheid van de pandrechten betrof, verklaarde dat het pandrecht rechtsgeldig was gevestigd en dat de Bank haar pandrecht jegens de curator kon uitoefenen. Het incidentele beroep van de curator werd verworpen. Hiermee werd bevestigd dat de wettelijke vereisten voor stille verpanding en registratie niet vereisen dat specificatielijsten aan de akte gehecht of geregistreerd worden, zolang de vorderingen voldoende bepaalbaar zijn.